De transitievergoeding:

De werkgever is een transitievergoeding pas wettelijk verschuldigd:

  • Wanneer er voor de werkgever een redelijke grond (legitieme reden) is om de arbeidsrelatie met een werknemer te beëindigden (artikel 7:669 lid 1 BW) en
  • de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd nadat het UWV het ontslag heeft verleend of nadat de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter is ontbonden en
  • de werknemer bij de werkgever 2 jaar of langer werkzaamheden heeft verricht.

Berekening van de transitievergoeding

  • Over de eerste 10 jaar dat een werknemer in dienst is bedraagt de transitievergoeding per volledige periode van 6 maanden steeds 1/6 deel van het loon per maand. Per gewerkt jaar heeft een werknemer dus recht op 1/3 deel van zijn bruto maandsalaris (artikel 7: 673 lid 2 BW);
  • Is een werknemer langer dan 10 jaar in dienst dan bedraagt de transitievergoeding per volledige periode van 6 maanden 1/4 deel van het maandsalaris. Over die jaren heeft een werknemer dus recht op 1/2 deel van zijn bruto maandsalaris (artikel 7: 673 lid 2 BW);
  • De transitievergoeding bedraagt in het jaar 2017 maximaal  bruto € 77.000,- of tot de hoogte van een jaarsalaris indien het jaarsalaris hoger is dan € 77.000,- (artikel 7: 673 lid 2 BW);
  • Tot 1 januari 2020 is een overgangsregeling van toepassing voor werknemers die ouder zijn dan 50 jaar, zie artikel 7: 673a lid 1 BW. Wanneer een werknemer 50 jaar of ouder is dan heeft hij bij een dienstverband van 10 jaar of langer recht op een vergoeding van 1 bruto maandsalaris per gewerkt jaar.

Geen transitievergoeding verschuldigd

De werkgever is de werknemer geen transitievergoeding verschuldigd:

  • Wanneer de werknemer de leeftijd heeft bereikt waarop hij recht heeft op pensioen (artikel 7: 673 lid 7 onderdeel b BW);
  • Wanneer de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (denk hierbij bijvoorbeeld aan het stelen van goederen van de werkgever,) zie artikel 7: 673 lid 7 onderdeel c BW. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan in bepaalde gevallen daar echter toch door de rechter van worden afgeweken;
  • Wanneer de werkgever in staat van faillissement is verklaard, of dat er sprake is van surseance van betaling of bij een schuldsaneringsregelin , zie artikel 7: 673c lid 1 BW. (Een “habe nichts” verweer van de werkgever is in alle andere gevallen niet meer mogelijk om geen transitievergoeding te hoeven te betalen);
  • Wanneer de werknemer jonger is dan 18 jaar (artikel 7: 673 lid 7 onderdeel a BW).

Lagere transitievergoeding

De werkgever hoeft minder (of geen) transitievergoeding te voldoen:

  • Wanneer een werkgever minder dan 25 werknemers in dienst heeft en hij een werknemer moet ontslaan wegens bedrijfseconomische redenen die het gevolg zijn van een slechte financiële situatie. Deze regeling geldt tot 1 januari 2020  (artikel 7: 673d BW, Specifieke regels daarover zijn terug te vinden bij “Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers);
  • Wanneer er kosten van investeringen worden gemaakt. De wet biedt namelijk de mogelijkheid om kosten van investeringen in mindering te brengen op de transitievergoeding, zie artikel 7:673 lid 6 BW (het gaat dan om transitiekosten en specifieke inzetbaarheidskosten). Er gelden daarvoor speciale regels wanneer bedragen mogen worden afgetrokken van de transitievergoeding.

Mr. H.P. Mannens kan voor de werkgever of werknemer bekijken of een transitievergoeding moet worden voldaan en of daar dan ook nog een billijke vergoeding bij moet komen. Wanneer een werknemer een lagere transitievergoeding heeft ontvangen dan kan voor de werknemer bekeken worden of deze kosten daadwerkelijk van de transitievergoeding mochten worden afgetrokken.